Kruimelpad
- Home
- Actueel
- Toespraken
- Toespraken algemeen
- Toespraak burgemeester ...
Inhoud pagina: Toespraak burgemeester Brouwer-Korf van Utrecht op de conferentie `Wie de schakel past'
12 september 2001
Dames en heren,
Denk u in:
Achtervolging op de snelweg. Politie achtervolgt overvallers, die zich bij een wegrestaurant verschansen. Het komt tot een schietpartij. Een passerende automobilist wordt geraakt door een kogel. Uiteindelijk geven de overvallers zich gewonnen.
Wie achtervolgde die overvallers, daar op de snelweg? Dat was uiteraard de politie, ingeschakeld via de meldkamer. Die functioneert naar behoren. Politiemensen waren er op tijd bij om de overvallers te achtervolgen en aan te houden. Maar wie heb je nodig voor de zwaar gewonde? En aan wie heb je het meest als er ook nog een auto in vlammen opgaat?
Wie aan een gewone Utrechter meedeelt dat hij in noodgevallen beschikt over geco-loqueerde meldkamers, ontmoet waarschijnlijk eerder gemopper dan een juichkreet. 'Wat is dat nou weer voor jargon,' zou de reactie kunnen luiden. Toch gaat het bij co-locatie van meldkamers, net als bij andere schakels in de veiligheidsketen, om diezelfde burger en om diens veiligheid.
De geco-loqueerde meldkamers in Utrecht zijn het resultaat van het project Gemeenschappelijke Meldkamer Utrecht dat sinds 1995 in onze regio loopt. Initiatiefnemers zijn Utrechtse burgemeesters en de besturen van politie, brandweer en ambulancevervoer. De doelstelling van het project, in 1994 geformuleerd, klinkt als een klok: De nieuwe meldkamer moet DIE eenheden van ambulancedienst, brandweer en politie kunnen alarmeren en inzetten, die het snelst met de dan meest geschikte middelen aanwezig kunnen zijn bij het incident. De ambitieuze initiatiefnemers kozen voor het middel van de integratie. Dat blijkt wel uit hun concrete toekomstbeeld: (zet u schrap)
- één meldkamer
- op één plaats
- onder een éénhoofdige leiding
- met één bestuur
- met één rechtsvorm
- met één financieel stelsel
- voor één gebied
- met één rechtspositie voor het personeel
- met één technisch systeem
- en één persoon die de meldingen afhandelt, met achter zich een deskundige back office.
We zijn, problemen of niet, aan de slag gegaan en met resultaat. Alles overziende kun je zeggen dat een deel van de idealen van 1994 realiteit is geworden, terwijl een ander deel nog toekomstmuziek is. Gaat u maar na. Sinds 1998 functioneren er onder één dak drie afzonderlijke meldkamers, die zijn verenigd in één stichting en in één, nieuw, gebouw: het Centrum voor Openbare Orde en Veiligheid. De meldkamers bestrijken één gebied, de hele provincie Utrecht, en werken onder een éénhoofdige leiding. De sfeer op de werkvloer is prima. Ik ben het dan ook met de staatssecretaris eens dat co-locatie, laat staan integratie, moet plaatsvinden in één ruimte. Het helpt enorm als mensen elkaar kunnen zien en horen. We konden ook vaststellen dat onze meldkamer voor de burger in nood beter bereikbaar is geworden De hulpverlening verloopt sneller en beter gecoördineerd. Maar er zijn nog steeds DRIE meldkamers, met elk nog eigen technische systemen. Er functioneren nog steeds drie afzonderlijke besturen, van politie, brandweer en ambulancevervoer. Die blijven uiteindelijk verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van hun eigen meldkamer. Wat we ook nog niet hebben, is één financieringsstelsel en één rechtspositie voor de mensen die in de meldkamer werken. Hier liggen grote knelpunten. Hoe kom je wat deze elementen betreft tot integratie? Evenmin geïntegreerd in de gemeenschappelijke meldkamer is de aloude 1.1.2-centrale op het hoofdbureau van politie. Een burger in nood krijgt, als hij 1.1.2 heeft gedraaid, dan ook eerst de merkwaardige vraag 'wie wilt u spreken?' op zich afgevuurd. Het vóórtdurende bestaan van de 1.1.2-centrale is, vrees ik, geen resultaat van een bewuste keuze. Het is méér, dat we nog niet aan integratie zijn toegekomen. Onder meer huisvestingsproblemen zijn daar de oorzaak van. De vraag of de Gemeenschappelijke Meldkamer Utrecht niets extra heeft gekost, kan ik niet zo gemakkelijk beantwoorden. De drie meldkamers waren in het verleden immers ingebed in drie organisaties, wat vergelijking lastig maakt. We weten echter vrij zeker dat de investeringen die we moeten doen in een gemeenschappelijke meldkamer lager zijn dan de investeringen die nodig zouden zijn geweest voor drie afzonderlijke meldkamers. Ik doel dan op technische middelen, huisvesting, samenwerking en organisatie. Voorrekenen kan ik het u niet, maar bundeling biedt zonder twijfel efficiency-voordelen. Dames en heren,
De heer De Vries schetste in zijn speech het ideaalbeeld van de gemeenschappelijke meldkamer. Het moge duidelijk zijn: we zijn in Utrecht aan dat ideaalbeeld of zelfs aan onze eigen doelstellingen van 1994 nog niet helemaal toegekomen. We zijn tot co-locatie gekomen, nog niet tot integratie. De doelstellingen van 1994 blijken nog iets te hoog gegrepen, niet zozeer wat betreft de techniek, maar meer wat betreft de aansturing van de processen en de complexiteit van de taak. Maar ik zie kansen.
- Kansen in een analyse van de werkprocessen vanaf de 1.1.2-melding tot en met de afhandeling in de meldkamer door politie, brandweer en ambulancevervoer.
- Kansen in een beter gestroomlijnd beheer en in een blijvende investering in de toerusting van de mensen op de werkvloer. Die kansen zijn alleen al reëel omdat nieuwe mensen in de meldkamer in het algemeen positief tegen integratie blijken aan te kijken.
- Kansen in het kabinetsstandpunt naar aanleiding van de ramp in Enschede over de multi-disciplinaire aanpak bij rampen en grootschalig optreden.
- Kansen in nieuwe technische middelen zoals het Gemeenschappelijk Meldkamersysteem en C2000.
