Kruimelpad
- Home
- Werkwijze en organisatie
- Wettelijk kader
Inhoud pagina: Wettelijk kader
De wettelijke grondslagen voor de taken van de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid liggen vast in de Politiewet 1993, de Wet op het LSOP en het politieonderwijs en de Brandweerwet 1985.
Door op de rode 'bladwijzer' te klikken komt u direct bij de korte omschrijving van dat betreffende wetsartikel.
Artikel 53a van de Politiewet 1993
Artikel 32 van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs
Artikel 19 Brandweerwet 1985
Artikel 19a Brandweerwet 1985
[bw]Artikel 53a van de Politiewet 1993:
- Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft met het oog op een goede taakuitvoering door de politie en een doelmatig en effectief beheer van de politiekorpsen de bevoegdheid tot:
a. het toetsen van de wijze waarop de beheerders van de politiekorpsen voorzien in de kwaliteit van de taakuitvoering, de resultaten en het beheer van de politie;
b. het toetsen van specifieke onderdelen van de taakuitvoering dan wel het beheer van de politie;
c. het verrichten van onderzoek, indien daar in bijzondere gevallen reden toe is, naar ingrijpende gebeurtenissen waarbij de politie betrokken is;
d. het verrichten van onderzoek, indien in andere bijzondere gevallen dan die, bedoeld onder c, dit nodig wordt geoordeeld;
e. het toezicht op de kwaliteit van de politieopleidingen en de examinering. - De werkzaamheden die in het kader van het eerste lid, onder a en b, worden uitgevoerd, worden jaarlijks door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister van Justitie vastgesteld.
- Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties oefent de bevoegdheid, genoemd in het eerste lid, onder c, en die, genoemd in het eerste lid, onder d, uit na overleg onderscheidenlijk in overeenstemming met Onze Minister van Justitie.
- De bevoegdheid, genoemd in het eerste lid, onder c, en die, genoemd in het eerste lid, onder d, komen eveneens toe aan onze Minister van Justitie, indien de ingrijpende gebeurtenissen onderscheidenlijk de andere bijzondere gevallen betrekking hebben op de taakuitvoering door de politie in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, de taken ten dienste van de justitie, dan wel de beveiliging van leden van het Koninklijk Huis en andere door het bevoegd gezag aan te wijzen personen. Hij oefent de bevoegdheid, genoemd in het eerste lid, onder c, en die, genoemd in het eerste lid, onder d, uit na overleg onderscheidenlijk in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
- Er is een Inspectie voor de politie. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wijst de ambtenaren van de Inspectie voor de politie aan, met dien verstande dat hij het hoofd aanwijst na overleg met Onze Minister van Justitie. De Inspectie voor de politie is, onder het gezag van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, belast met de werkzaamheden die in het kader van het eerste lid worden uitgevoerd, en onder het gezag van Onze Minister van Justitie, tevens belast met de werkzaamheden die in het kader van het vierde lid worden uitgevoerd. De Inspectie voor de politie rapporteert, gevraagd of ongevraagd, rechtstreeks aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Justitie. De artikelen 5:12 tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing op de ambtenaren van de Inspectie voor de politie.
- De beheerders van de politiekorpsen verlenen Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties respectievelijk Onze Minister van Justitie de door deze verlangde ondersteuning bij de uitvoering van de werkzaamheden in het kader van het eerste lid.
[bw]Artikel 32 van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs:
- Het toezicht op de kwaliteit van de opleidingen, met uitzondering van de opleidingen van de politie ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de taken ten dienste van de justitie, alsmede op de examinering, is opgedragen aan Onze Minister. Het wordt onder zijn gezag uitgeoefend door of namens de Inspectie voor de politie.
- Het toezicht op de kwaliteit van de opleidingen van de politie ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de taken ten dienste van de justitie alsmede op de examinering, is opgedragen aan Onze Minister die het toezicht uitoefent in overeenstemming met Onze Minister van Justitie. Het wordt onder hun gezag uitgeoefend door of namens de Inspectie voor de politie.
[bw]Artikel 19 Brandweerwet 1985:
- Onze Minister van Binnenlandse Zaken heeft tot taak:
a. het toetsen van de wijze waarop een bestuursorgaan van een provincie, een gemeente, een lichaam dat bij gemeenschappelijke regeling is ingesteld dan wel een ander openbaar lichaam hun taken uitvoeren met betrekking tot het voorkomen van, het voorbereiden op en het bestrijden van een brand, ongeval of ramp;
b. het verrichten van onderzoek naar aanleiding van een brand, ongeval of ramp, tenzij de Onderzoeksraad voor veiligheid, bedoeld in artikel 2 van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid
, naar de brand, het ongeval of de ramp een onderzoek instelt. - Een bestuursorgaan van een provincie, een gemeente, een lichaam dat bij gemeenschappelijke regeling is ingesteld of een ander openbaar lichaam is desgevraagd verplicht de door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangewezen ambtenaren de inlichtingen te verstrekken die zij redelijkerwijs nodig hebben in verband met de uitvoering van een toets als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
- Een bestuursorgaan van één van de openbare lichamen, bedoeld in het tweede lid, of van het Rijk dan wel een ieder die werkzaam is bij een organisatie, een instelling, een inrichting die of een bedrijf dat betrokken is bij een brand, ongeval of ramp is desgevraagd verplicht de door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangewezen ambtenaren de inlichtingen te verstrekken die zij redelijkerwijs nodig hebben in verband met het verrichten van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
[bw]Artikel 19a Brandweerwet 1985:
- Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toetst, in overeenstemming met Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van Verkeer en Waterstaat en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, periodiek de voorbereiding op de rampenbestrijding door de bestuursorganen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, en brengt in een multidisciplinaire rapportage aan de Tweede Kamer van de Staten-Generaal verslag uit van zijn bevindingen.
- Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties informeert de Tweede Kamer van de Staten-Generaal jaarlijks over de wijze waarop in het daarop volgende jaar uitvoering zal worden gegeven aan het in het eerste lid door toezending van een werkprogramma.
